Karate en doping

“Ik zou liegen als ik zei dat het bij ons niet voorkomt. Dolf  Lundgren. Andy Hug. Ik kan zó tien man van mijn generatie aanwijzen die gebruikt hebben. We zijn geen heilige boontjes, want we zijn mensen. En als we een beetje zwakbegaafd zijn, dan nemen we dat spul. Er zijn er nog meer die iets anders dan bruin brood hebben gegeten. De Russen gebruiken, de Oostblokkers ook. Dat heb ik vaak met eigen ogen gezien.”

“Die bij-dingen hebben allemaal geen nut. Want dat ben jij niet. Dat is een stofje. Ik kan niet tegen mijn verlies maar ik ben liever tweede als ik weet dat ik het zèlf gedaan heb, dan dat ik een ondersteunend kuurtje moet nemen om kampioen te worden. Want dat ben ik niet. Dat is Gerard Gordeau niet. Dan kun je net zo goed een pak van staal aantrekken.”

“Als ik vroeger wel gebruikt had, dan had ik nu spijt gehad. Want ik wil het gewoon zelf doen. Om te kijken waar mijn grens ligt, mijn echte grens. Als je spul neemt, dan is dat jouw grens niet meer maar die van het spulletje. Iemand die op die manier een titel heeft behaald, neem ik niet serieus. Dat telt niet. Want dat zijn ze niet zelf geweest. Ik heb meer respect voor iemand die met een papperig lichaam tweede wordt, en er alles voor gedaan heeft, dan voor iemand met twee spuiten in zijn reet die zonder de ring niet meer in durft.”

“Het gaat ze dan niet meer om de sport, maar om het geld en de aandacht. Dat zijn nutteloze vechtsporters. Nutteloos. Maar dan zie ik zo'n kleine Giorgio Petrosyan. Het is een talent, een natuurtalent. Een natuurbouw, zo te zien. Als die wat zou nemen, kan hij zijn spelletje niet meer goed doen, want dan zit dat gewicht in de weg. Je moet je houden bij je lichaamsbouw, en zo moet je vechten. Niet anders.”